Dutch Mountain | Werkomgeving voor innovatie en ontmoeting
Een overdekt tuinencomplex met paviljoens: Voor het welbevinden van de werkende mens en een optimal bedrijfsresultaat
Locatie:
Eidnhoven
Jaar:
2000
Longread, door Menno Lam
Van technologie naar een omgeving waarin mensen floreren
Wie investeert in architectuur, investeert niet alleen in stenen, techniek of vierkante meters. Hij investeert in het leven van mensen: in de manier waarop mensen wonen, werken, herstellen, leren, zorgen, ontmoeten, denken, ontspannen of verwonderd raken. Dat geldt voor een woonhuis net zo goed als voor een museum, een zorginstelling, een werkomgeving, een campus of een gebouw waar bezoekers, medewerkers en bewoners dagelijks samenkomen.
Dutch Mountain is een visionair afstudeerproject uit 2000 voor de Philips High Tech Campus in Eindhoven. Maar achteraf gezien is het vooral het begin van een zoektocht die nog altijd de basis vormt onder ons werk. De vraag was niet alleen hoe technologie architectuur kon veranderen. De diepere vraag werd: welke omgeving helpt mensen floreren?
Ontwikkeld als een alternatieve toekomstvisie voor de campus onderzocht Dutch Mountain hoe architectuur, natuur, ontmoeting en technologie samen een werkomgeving kunnen creëren waarin creativiteit, samenwerking en innovatie worden versterkt. Daarmee vormt het een vroeg onderzoek naar thema's die vandaag centraal staan in campusontwikkeling, innovatieve werkomgevingen en mensgerichte kennisomgevingen.
De oorsprong van een gedachte
Tijdens mijn afstuderen onderzocht ik hoe een werkomgeving creativiteit, samenwerking en innovatie kan stimuleren. Philips werkte aan de gedachte van een High Tech Campus: een plek waar verschillende afdelingen, onderzoekers, technici en ontwikkelaars elkaar vaker zouden ontmoeten. Niet alleen om efficiënter te werken, maar om opnieuw de omstandigheden te scheppen waarin grote vernieuwingen konden ontstaan. De Compact Disc was het symbool van zo'n doorbraak. De achterliggende vraag was: hoe creëer je een omgeving waarin zoiets opnieuw kan gebeuren?
In eerste instantie begon mijn onderzoek bij technologie. Zonne-energie, windenergie, klimaatbeheersing, natuurlijke koeling, water, energieopwekking en nieuwe materialen vormden een belangrijk deel van het project. Philips was een technologiebedrijf. De campus moest vooruitkijken. Maar tijdens het ontwerpproces verschoof de aandacht. Technologie bleek niet het doel, maar een middel. Het ging uiteindelijk om mensen: om onderzoekers die elkaar moesten vinden, medewerkers die zich uitgenodigd moesten voelen om andere afdelingen op te zoeken en teams die tijdelijk konden ontstaan rond een idee, vraag of product.
Slecht weer als beginpunt
Een belangrijk inzicht ontstond heel eenvoudig. Het bestaande campusidee ging ervan uit dat medewerkers over het terrein zouden lopen om elkaar te ontmoeten, bijvoorbeeld bij een centrale kantine of gedeelde voorziening. Maar in Nederland is het klimaat niet vanzelfsprekend uitnodigend. Toen ik tijdens het onderzoek op het terrein was, regende het pijpenstelen. In gesprekken met managers werd duidelijk hoe kwetsbaar het idee van spontane ontmoeting eigenlijk was. Niemand loopt vanzelfsprekend honderden meters door regen en wind om een boterham te eten met iemand die hij niet kent.
Daarmee viel een belangrijk deel van de synergiegedachte weg. Als ontmoeting, samenwerking en kennisuitwisseling werkelijk belangrijk zijn, moet je de omstandigheden daarvoor serieus nemen. Niet alleen organisatorisch, maar ook ruimtelijk. Een omgeving moet mensen niet tegenwerken, maar uitnodigen. Vanuit die constatering ontstond Dutch Mountain als alternatief ontwerpvoorstel: een grote klimaatkoepel over het campuslandschap. Niet als spectaculaire vorm omwille van de vorm, maar als middel om een nieuwe leef- en werkomgeving mogelijk te maken.
De koepel als middel
De koepel had een diameter van circa 450 meter en een hoogte van ongeveer 70 meter. Binnen die koepel ontstond een eigen wereld: een beschutte, groene, zelfvoorzienende campus waarin gebouwen, tuinen, routes, werkplekken en ontmoetingsplekken onderdeel werden van één groter ecosysteem. De koepel maakte het mogelijk om het Nederlandse klimaat gedeeltelijk te neutraliseren. Regen, wind en kou werden niet langer de dominante voorwaarden voor ontmoeting. Mensen konden zich droog, beschut en comfortabel door het gebied bewegen.
Daarmee veranderde de betekenis van het gebouw. Dutch Mountain was geen kantoor, maar een leefomgeving. Een plek waar mensen niet simpelweg naar hun werkplek gingen, maar een wereld betraden waarin ze konden kiezen waar ze wilden werken, overleggen, nadenken, ontmoeten of zich terugtrekken. De koepel was daarbij niet de hoofdzaak. De koepel was hét middel. Zij maakte de wereld mogelijk waarin mensen zich op hun gemak konden voelen en daardoor ontvankelijker werden voor ontmoeting, nieuwsgierigheid en nieuwe ideeën.
De brug als overgang
Iedere bezoeker en medewerker kwam via een lange brug de koepel binnen. Die brug was meer dan een toegang; het was een overgang van de bestaande wereld naar een andere werkelijkheid. Terwijl je over de brug liep, liet je het gewone terrein achter je. Je naderde een wereld die anders voelde: groener, beschutter, lichter, stiller en tegelijk vol activiteit.
Het moment van binnenkomen moest verwondering oproepen. Niet een standaard entree met een balie of portier, maar een ontvangst waarin mensen zich welkom voelen. Een overgang naar een omgeving waarin je even stilvalt en denkt: kan ik hier werken? Mag ik hier zijn? Wat zou hier kunnen ontstaan? Die emotie was belangrijk. Architectuur gaat niet alleen over functie, techniek of vorm. Architectuur gaat over wat een ruimte met mensen doet. Een goede omgeving geeft niet alleen onderdak. Zij verandert je stemming, je houding, je verwachtingen en soms zelfs je gedrag.
Een groene wereld voor innovatie
Binnen Dutch Mountain waren gestapelde tuinen opgenomen op verschillende niveaus. Niet als decoratie en niet als groen sausje, maar als wezenlijk onderdeel van het werklandschap. De tuinen lagen ongeveer twintig meter boven elkaar en vormden samen een reeks verschillende werelden. Er was een Dommeltuin, een Watertuin, een Oranjerie, een Verstilde tuin en een Verborgen tuin. Elke tuin had een eigen karakter, klimaat en betekenis.
De Dommeltuin verwees naar het landschap van de Dommel. Een aardse, landschappelijke tuin waarin je voelt dat de koepel als het ware over het bestaande landschap is geplaatst. De Watertuin was geïnspireerd op de sfeer van het Alhambra: water, stroming, verkoeling, reflectie en een andere luchtvochtigheid. De Oranjerie bood een rijkere, warmere wereld tussen tropische planten en vruchten. De Verstilde tuin had een meer contemplatief karakter, verwant aan Japanse tuinen en plekken voor rust, concentratie en overpeinzing. De Verborgen tuin bood juist beschutting en afzondering; een plek waar je je even kon terugtrekken, weg van overzicht en drukte.
Daarachter lag een belangrijk inzicht. Verschillende mensen hebben verschillende plekken nodig, maar ook één en dezelfde mens heeft gedurende een dag, een project of een levensfase verschillende plekken nodig. Soms zoek je overzicht, soms beschutting. Soms ontmoeting, soms stilte. Soms licht, soms concentratie. Soms beweging. Dutch Mountain bood geen standaardwerkplek voor iedereen, maar een landschap waarin mensen steeds opnieuw konden kiezen welke omgeving hen op dat moment het beste ondersteunde.
Werken als mensennetwerk
De campus was ontworpen voor kenniswerk: niet voor routinematig werk, maar voor onderzoek, samenwerking, uitwisseling en innovatie. In de presentatie werd al onderscheid gemaakt tussen oude en nieuwe manieren van werken: van hiërarchisch naar participatief, van individuele taken naar teams en projecten, van vaste plekken naar netwerken. Dat was in 2000 nog geen vanzelfsprekend uitgangspunt.
Dutch Mountain probeerde daarop ruimtelijk antwoord te geven. Doordat de koepel het klimaat regelde, hoefden de paviljoens en werkplekken binnenin niet allemaal traditionele gebouwen te zijn. Ze konden lichter, tijdelijker, flexibeler en eenvoudiger worden. Een team kon zich voor een bepaalde periode rond een project organiseren zonder dat daarvoor telkens complete gebouwen aangepast hoefden te worden.
De fysieke barrières werden kleiner. Niet elk team zat achter zijn eigen gevel. Niet elke afdeling zat opgesloten in een eigen gebouw. De campus werd een ecosysteem van mensen, plekken, routes en ontmoetingen. Toevallige ontmoeting kon overal ontstaan: bij koffie, in de tuin, onderweg, tijdens de lunch, op de brug, bij een open werkplek of juist op een stillere plek waar iemand zich tijdelijk had teruggetrokken. Het gebouw kon die ontmoeting niet afdwingen, maar het kon haar wel mogelijk maken.
Rust en dynamiek
Innovatie vraagt dynamiek, maar niet elke dynamiek is vruchtbaar. Een drukke straat, harde geluiden, schreeuwerige prikkels en voortdurende afleiding maken mensen niet vanzelf creatiever. Ze kunnen juist spanning, vermoeidheid en onrust veroorzaken. De natuur biedt een andere vorm van dynamiek. Bewegende bladeren, veranderend licht, ruisende wind, water, vogels en seizoenen brengen prikkels die mensen meestal niet overbelasten. Ze houden ons wakker zonder ons voortdurend uit balans te brengen.
Juist daardoor kunnen rust en inspiratie samengaan. In Dutch Mountain waren verstilling en ontmoeting geen tegenpolen. Beschutting en openheid ook niet. Veiligheid en nieuwsgierigheid evenmin. Ze hoorden bij elkaar. Mensen durven pas verder te denken wanneer ze zich veilig genoeg voelen om bestaande kaders los te laten. Ze durven pas te dromen wanneer ze niet voortdurend hoeven te vechten tegen stress, ruis of onrust. Een omgeving die geborgenheid biedt, kan daardoor juist de voedingsbodem worden voor creativiteit.
De tuin als oorspronkelijke omgeving
Tijdens het afstuderen stelde mijn begeleider Wim Nijenhuis mij een vraag die ik nooit ben vergeten. Hij vroeg waarom ik steeds over tuinen sprak. Waarom tuinen? Waarom werken in het groen? Waarom die behoefte om een technologische campus niet als machine, maar als tuinlandschap te ontwerpen? Mijn antwoord was toen nog vooral intuïtief. Het leek mij vanzelfsprekend dat mensen beter zouden functioneren in een groene omgeving.
Wim bracht dat terug naar een veel oudere laag: de mens is niet oorspronkelijk geplaatst in een kantoor, een fabriekshal of een verkeersruimte, maar in een tuin. Een hof. Een omgeving van beschutting, overvloed, schoonheid, zorg, verwondering en verbondenheid. Dat gesprek maakte iets duidelijk wat later steeds belangrijker zou worden: wij zijn bedoeld om met de natuur te leven, niet los daarvan.
Inmiddels wordt die intuïtie ondersteund door veel onderzoek naar natuur, gezondheid, stressreductie, concentratie, herstel, welzijn en wat tegenwoordig vaak Biophilic Design wordt genoemd. Die term is bruikbaar, maar niet heilig. Belangrijker is het inzicht erachter: mensen floreren beter in omgevingen die eigenschappen van natuurlijke ecosystemen bezitten. Dutch Mountain onderzocht dat al voordat ik daar woorden voor had.
Technologie in dienst van mensen
In Dutch Mountain speelde technologie een grote rol. De gele bovenschil was gedacht als een energieproducerend daklandschap. De vorm werd mede bepaald door zonoriëntatie en opbrengst. Een windvleugel reageerde op dominante windrichtingen en maakte windenergie onderdeel van het architectonische concept. Water, verdamping en natuurlijke ventilatie droegen bij aan koeling en klimaatbeheersing.
Maar terugkijkend is niet de gekozen technologie het belangrijkst. Technologie verandert. Wat in 2000 vooruitstrevend was, zou vandaag anders worden opgelost. Misschien met andere vormen van energieopwekking, waterbeheer, geothermie, buffering, passieve klimaatprincipes of combinaties daarvan. De les is niet dat een gebouw vol technologie moet zitten. De les is dat techniek moet dienen. De architectuur dient de mens. De techniek dient de architectuur. En samen moeten zij een omgeving mogelijk maken waarin mensen beter kunnen leven, werken en functioneren.
Van image naar betekenis
Een ander onderdeel van Dutch Mountain was de relatie tussen architectuur, imago en identiteit. Philips wilde zich ontwikkelen van productmanagement naar brandmanagement. De presentatie onderzocht hoe architectuur zichtbaar kon maken waar een organisatie voor staat. Van bovenaf leek de koepel bijna als beeldmerk te kunnen functioneren. Het gebouw kon een nieuw gezicht voor Philips worden.
Daar zat een gedachte achter die nog steeds relevant is: een gebouw maakt zichtbaar waar een organisatie werkelijk voor staat. Maar daar hoort ook een kritische reflectie bij. Vandaag zou ik architectuur minder inzetten als brand placement. Minder als logo. Minder als beeldmerk. Een gebouw moet niet in de eerste plaats vertellen hoe geweldig een organisatie gevonden wil worden. Het moet laten zien waar een organisatie werkelijk voor wil zorgen.
Practice what you preach. Als een organisatie zegt dat zij de kwaliteit van leven wil verbeteren, dan moet dat niet alleen zichtbaar zijn in haar producten, communicatie of jaarverslag. Het moet ook voelbaar zijn in de omgeving waar haar eigen mensen werken. Niet image vóór werkelijkheid, maar werkelijkheid vóór image. Een goede werkomgeving is daarmee geen decor voor branding, maar een uitdrukking van zorg, aandacht en verantwoordelijkheid.
Eerst begrijpen, dan ontwerpen
Achteraf gezien is misschien niet de koepel het meest visionaire onderdeel van Dutch Mountain. Ook niet de zonnepanelen, de windturbines of zelfs de gestapelde tuinen. Het meest wezenlijke was de overtuiging dat architectuur moet beginnen met begrijpen. Wie gaan deze omgeving gebruiken? Hoe werken zij? Wat hebben zij nodig? Waar lopen zij tegenaan? Wanneer ontstaat ontmoeting? Wanneer ontstaat concentratie? Wanneer voelen mensen zich veilig? Wanneer raken zij geïnspireerd? Wanneer komen zij tot rust? Wanneer gaan zij beter samenwerken?
Dat begint niet achter de tekentafel. Dat begint met luisteren, kijken, doorvragen en meelopen. Een ontwerp zonder goed gesprek mist al snel de kern. Misschien levert het een aantrekkelijk gebouw op, maar niet vanzelf een doeltreffende omgeving. Dat geldt voor een hightech campus, maar net zo goed voor een woonhuis, museum, zorggebouw, school, kantoor, bezoekerscentrum of dierenverblijf.
Bij een woning wil je weten hoe mensen leven. Bij een zorginstelling wil je begrijpen hoe bewoners, patiënten, medewerkers en familie de dag ervaren. Bij een museum wil je weten hoe bezoekers kijken, dwalen, vertragen en geraakt worden. Bij een werkomgeving wil je begrijpen hoe een organisatie werkelijk functioneert. Bij een dierenverblijf wil je het natuurlijke gedrag van dieren begrijpen voordat je vormgeeft aan het verblijf. Steeds begint het met dezelfde houding: eerst begrijpen, dan ontwerpen.
Van Dutch Mountain naar Architectuur voor Kwaliteit van Leven
Dutch Mountain werd niet gerealiseerd, maar het project zette wel een richting uit. Het was het begin van een zoektocht naar architectuur die niet begint bij stijl of vorm, maar bij mensen, gedrag, natuur, organisatie en plek. Die zoektocht is later verdiept in andere projecten en in studies bij onder meer Glenn Murcutt, Peter Stutchbury en Richard Leplastrier. Daar werd de aandacht voor klimaat, landschap, eenvoud, licht, materiaal en dagelijks gebruik verder aangescherpt.
Toch zat de kern al in Dutch Mountain: de overtuiging dat gebouwen meer doen dan huisvesten. Dat plekken gedrag beïnvloeden. Dat natuur geen decoratie is, maar een actieve voorwaarde voor welzijn. Dat beschutting, uitzicht, rust, ontmoeting en keuzevrijheid bijdragen aan hoe mensen functioneren. En dat goede architectuur niet alleen ruimte maakt, maar levenskwaliteit versterkt.
Waarom dit project vandaag nog relevant is
Dutch Mountain is een project uit 2000. De vorm is uitgesproken. De schaal is uitzonderlijk. De beeldtaal hoort bij een andere tijd. Maar de onderliggende vraag is actueler dan ooit. Veel opdrachtgevers investeren nog steeds primair in stenen, vierkante meters, techniek, exploitatie en beeldvorming. Dat is begrijpelijk. Een gebouw moet praktisch, betaalbaar, duurzaam en functioneel zijn. Maar de diepere investering ligt elders.
Wie een gebouw laat maken, investeert in mensen. In bewoners die zich thuis willen voelen. In medewerkers die goed willen functioneren. In zorgverleners die niet uitgeput willen raken door hun omgeving. In bezoekers die geraakt willen worden. In kinderen die beter leren. In ouderen die overzicht, rust en herkenning nodig hebben. In organisaties die willen laten zien waar zij werkelijk voor staan.
Daarom begint goede architectuur niet alleen bij vormgeving of techniek, maar bij een onderzoekend ontwerpproces. Voor wie maken we dit? Hoe gebruiken mensen deze plek? Wat hebben zij nodig om zich goed te voelen, zich te concentreren, elkaar te ontmoeten, op te laden en meer uit zichzelf te halen?
Die vraag hield mij tijdens mijn studie al bezig. Met Dutch Mountain onderzocht ik hoe een werkomgeving mensen kon ondersteunen in creativiteit, samenwerking en welzijn. Het project begon vanuit technologie en innovatie, maar bracht mij steeds dichter bij de betekenis van natuur, daglicht, ruimte en verbinding met de omgeving.
Pas jaren later ontdekte ik dat veel van de principes die in Dutch Mountain werden onderzocht inmiddels worden beschreven onder de noemer Biophilic Design. Voor mij begon die zoektocht echter niet bij een theorie of ontwerpmethode. Ze begon met de vraag waarom sommige plekken mensen energie geven, terwijl andere plekken juist energie kosten. Waarom mensen op sommige plekken tot rust komen, elkaar ontmoeten, beter samenwerken, creatiever worden en meer uit zichzelf halen.
Hoe creëren we omgevingen waarin mensen kunnen floreren?
Die vraag vormt nog steeds de basis van ons werk.
Eerst begrijpen, dan ontwerpen
Ieder goed project begint met luisteren. Naar mensen, naar de plek, naar de organisatie en naar wat een gebouw werkelijk moet doen.
Bent u van plan te investeren in een woning, werkomgeving, zorginstelling, museum of bezoekerscentrum? Dan denkt u niet alleen na over vierkante meters, maar over kwaliteit van leven.
Plan een verkennend gesprek: bel 0318 - 41 81 85 of gebruik ons contactformulier
Credits
Afstudeerbegeleiding
Wim Nijenhuis, Ton Matton en Mark Linneman (NL Architects).
Samenwerking
ir. A.C. Rotte (Philips Design), - Drs. E.P.C. van Utteren (Philips informatie & software technology), ing. Paul J. Roomer MBA (Twynstra Gudde), ir. S. Merstens (Wind Energy Research Group TU Delft), prof. dr. J. Schoonman (Anorganische Chemie, TU Delft), prof. D. Schempp (LOG ID), ir. P. Houweling (ABT Delft) en de Energy Research Foundation, Ed Mellet,